词汇
学习动词 – 法语

leer ken
Vreemde honde wil mekaar leer ken.
leren kennen
Vreemde honden willen elkaar leren kennen.

kritiseer
Die baas kritiseer die werknemer.
bekritiseren
De baas bekritiseert de werknemer.

belê
Waarin moet ons ons geld belê?
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?

ontslaan
Die baas het hom ontslaan.
ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.

verbygaan
Die trein gaan by ons verby.
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.

ontdek
Die seemanne het ’n nuwe land ontdek.
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.

uitgee
Die uitgewer gee hierdie tydskrifte uit.
uitgeven
De uitgever geeft deze tijdschriften uit.

vertrek
Die skip vertrek uit die hawe.
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.

verdeel
Hulle verdeel die huishoudelike take onder mekaar.
verdelen
Ze verdelen het huishoudelijk werk onder elkaar.

genoeg wees
Dit is genoeg, jy irriteer!
genoeg zijn
Dat is genoeg, je irriteert!

ontmoet
Hulle het mekaar die eerste keer op die internet ontmoet.
ontmoeten
Ze ontmoetten elkaar voor het eerst op het internet.
